Kwalitatieve selectie

Selectiecriteria zijn geen gunningscriteria

Via de selectiecriteria beoordeelt u

  • de financiële en economische draagkracht van de inschrijvers
  • de technische bekwaamheid van de inschrijvers

De selectiecriteria en het vereiste niveau ervan legt u per opdracht vast in de opdrachtdocumenten. Ze moeten altijd gelinkt zijn aan en in verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.

Selectiecriteria zijn geen gunningscriteria. Gunningscriteria beoordelen namelijk de inhoudelijke waarde van de offertes.

Waar vindt u de criteria om inschrijvers kwalitatief te beoordelen?

U vindt in artikel 67 van het KB plaatsing van 18 april 2017 de criteria waarmee u de financiële en economische draagkracht van de inschrijvers kunt beoordelen. 

U vindt in artikel 68 van het KB plaatsing van 18 april 2017 de criteria waarmee u de technische bekwaamheid kunt beoordelen. 

De lijst van documenten in deze artikels is limitatief en niet volledig.

Erkenningsreglementering kan volstaan bij een openbare procedure

Wordt de opdracht gegund via een openbare procedure of via een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking? Dan volstaat in de meeste gevallen de erkenningsreglementering voor de kwalitatieve selectie van inschrijvers. Die reglementering voorziet een aantal minimumvoorwaarden over financiële en economische draagkracht en technische capaciteiten.

De overgrote meerderheid van de uitgeschreven opdrachten voor sociale woningbouw verlopen volgens een openbare procedure. Het bijzonder bestek VM/B 2017 voorziet daarom de erkenning als enige criterium voor de kwalitatieve selectie van inschrijvers.

Waaruit bestaat een erkenning?

Iedere aannemer die zich wil inschrijven voor een overheidsopdracht van werken, moet over een erkenning beschikken.

Een erkenning bestaat uit twee aspecten.

  • Een aannemer wordt in een bepaalde categorie of ondercategorie onderverdeeld. De categorie hangt af van de aard van de werken waarvoor hij erkend wordt.
  • Elke (onder)categorie is onderverdeeld in acht klassen. Voor elke klasse is een maximumbedrag voor de werken bepaald. De aannemer mag werken tot dit maximumbedrag uitvoeren als hij voor die klasse erkend is.

De erkenningsreglementering vloeit voort uit de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.

Wie verstrekt de erkenning?

De bevoegde Gewestminister kent de erkenning toe, op advies van de Commissie voor Erkenning der Aannemers. De aannemer moet aan een aantal voorwaarden voldoen en een dossier tot aanvraag van erkenning indienen bij de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

Op de website van de FOD Economie vindt u:

  • de verschillende categorieën en de klassen met de bijhorende drempelbedragen;
  • de databank van erkende aannemers, waarmee u kunt nagaan of inschrijvers over de vereiste erkenning beschikken.

Hoe bepaalt u voor iedere opdracht welke erkenning vereist is?

U bepaalt bij iedere opdracht van werken wat de vereiste erkenningscategorie en –klasse is. U kijkt hiervoor naar de aard en waarde van de opdracht. Die vindt u in de opdrachtdocumenten.

Opgelet:

1. Er is geen erkenning vereist:

  • voor de in categorieën onderverdeelde opdrachten waarvan het bestelbedrag gelijk is aan of kleiner dan 75.000 euro (excl. btw)
  • voor in ondercategorieën onderverdeelde opdrachten waarvan het bestelbedrag gelijk is aan of kleiner dan 50.000 euro (excl. btw)

2. U mag niet eisen dat een inschrijver in meer dan één categorie of ondercategorie erkend is.

U mag dit ook niet eisen, als de opdracht meerdere activiteiten omvat die in verschillende categorieën of ondercategorieën passen. De werken die het grootste aandeel uitmaken van de opdracht bepalen namelijk welke erkenning u moet eisen. De grootte van het totale werk bepaalt de vereiste klasse.

U vindt dit in artikel 5, § 7 van het KB van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken.

Bestaat de opdracht uit werken van verschillende aard waarvan het aandeel ongeveer even groot is? Dan mogen aannemers inschrijven die in één van de twee (of meer) betrokken categorieën of ondercategorieën erkend zijn. De opdrachtdocumenten moeten dan de keuze laten.

Hoe gaat u na of een inschrijver voldoende erkend is?

De inschrijver moet in zijn offerte één van de volgende zaken kunnen bewijzen:
1. dat hij een Belgische erkenning draagt

2. dat hij een erkenning of certificaat uit een andere EU-lidstaat heeft

Hiervoor voegt de aannemer aan zijn offerte toe:

  • het bewijs van inschrijving of certificaat. De inschrijving of het certificaat vermelden de referenties op grond waarvan de inschrijving of certificaat mogelijk was.
  • elk document dat kan aantonen dat deze inschrijving of dit certificaat gelijkwaardig aan de vereiste erkenning is.

U moet deze bewijsstukken onmiddellijk voor advies voorleggen aan de Erkenningscommissie. De bevoegde Gewestminister beslist of deze stukken als gelijkwaardig aan het vereiste erkenningsniveau kunnen worden beschouwd.

3. dat hij voldoet aan de voorwaarden van de voor deze werken vereiste erkenning

De aannemer heeft hierbij meestal al een aanvraag tot erkenning ingediend bij de Erkenningscommissie, maar deze commissie nam nog geen beslissing.

Diende de aannemer een volledig dossier bij de Erkenningscommissie in en komt hij bij openingszitting in aanmerking als opdrachtnemer? Dan is het aangeraden met de bestelling van de werken te wachten tot het besluit van de Erkenningscommissie bekend is.

U moet deze bewijsstukken onmiddellijk voor advies voorleggen aan de Erkenningscommissie. De bevoegde Gewestminister beslist of deze stukken als gelijkwaardig aan het vereiste erkenningsniveau kunnen worden beschouwd.

Wat doet u bij een tijdelijke vereniging van aannemers?

Een tijdelijke vereniging van aannemers heeft geen rechtspersoonlijkheid en kan dus niet over een eigen erkenning beschikken.

Wanneer komt een tijdelijke vereniging wel in aanmerking voor de gunning van de opdracht?

De tijdelijke vereniging voldoet dan aan alle onderstaande voorwaarden:
1. Minstens een van de leden beschikt over een erkenning of heeft hiervoor de bewijzen ingediend. Die erkenning stemt overeen met de voor die werken vereiste klasse en (onder)categorie. U vindt dit in artikel 11 van de wet van 20 maart 1991.

2. De andere leden voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • Ze hebben de Belgische nationaliteit of behoren tot een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap en zijn binnen de Europese Gemeenschap gevestigd. Is het een vennootschap?
    • Dan moet ze opgericht zijn volgens de Belgische wetgeving of volgens die van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap.
    • Haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging ligt binnen de Europese Gemeenschap of ze heeft er haar maatschappelijke zetel, als haar werken daadwerkelijk en duurzaam verband houden met de economie van een lidstaat.
  • Ze zijn ingeschreven in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van de wetgeving van de lidstaat waarin ze gevestigd zijn.
  • Ze verkeren niet in een faillissement, liquidatie of hebben geen gerechtelijk akkoord verkregen. Ze verkeren ook niet in een gelijkaardige toestand door een procedure die in een lidstaat van de Europese Gemeenschap van toepassing is.
  • Ze zitten niet in een procedure van faillietverklaring, van gerechtelijk akkoord of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de nationale wetten en regelingen.
  • Ze zijn niet, bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, omkoping, fraude, terroristisch misdrijf of strafbaar feit in verband met terroristische activiteiten, witwassen van geld of elk ander misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de aannemer aantast.
  • De minister heeft ze niet uitgesloten van overheidsopdrachten (gebaseerd op artikel 19, § 3 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken).
  • Ze voldoen aan hun sociale en fiscale verplichtingen.

Zijn minstens twee leden erkend in dezelfde klasse en categorie of ondercategorie of bewijzen ze aan de voorwaarden voor die erkenning te voldoen? Dan moeten deze leden de vereiste erkenning bezitten om de in de onmiddellijk hogere klasse ingedeelde werken van die categorie of ondercategorie uit voeren. U vindt dit in artikel 12 van de wet van 20 maart 1991. Deze bepaling geldt niet als de leden van de tijdelijke vereniging erkend zijn in de laagste klasse.

Op welk moment tijdens de procedure moet de inschrijver voldoende erkend zijn?

De inschrijver moet over de vereiste erkenning beschikken op het moment van de bestelling van de werken. Hij hoeft dus niet over de er­kenning te beschikken op het moment van het indienen van zijn offerte.

Dit betekent dat u de beslissing kunt nemen om een opdracht te gunnen aan een inschrij­ver die op dat moment nog niet over de vereis­te erkenning beschikt. U wacht dan uiteraard met de eigenlijke bestelling van de werken tot de erkenning verkregen is.

Tegelijkertijd bent u niet verplicht om een gun­ningsbeslissing te nemen ten voordele van de laagste bieder wanneer deze (nog) niet over de vereiste erkenning beschikt. Wanneer u niet wil wachten met de bestelling van de werken, kan u ook beslissen om de werken te gunnen aan de tweede laagste bieder die wel over de vereiste erkenning beschikt.

Welke werkwijze raadt VMSW aan?

  • Wanneer de laagste bieder op het moment van de gunningsbeslissing een volledig dossier tot het bekomen van de vereiste erkenning heeft ingediend bij de Erken­ningscommissie, wacht u de beslissing van deze commissie af. U bestelt de werken op het moment dat de inschrijver de vereiste erkenning verkregen heeft.
  • Wanneer de laagste bieder op het moment van de gunningsbeslissing geen of een on­volledige aanvraag heeft ingediend tot het bekomen van de vereiste erkenning, gunt u de werken aan de tweede laagste bieder (op voorwaarde dat deze wel voldoende erkend is).