logo VMSW - sociaal wonen mogelijk maken
U bevindt zich hier: HOME > Professionelen > ABC > B2005 > Deel 7 > Techniek/Electro > 70.50. leidingen

70  ELEKTRICITEIT / BINNENNET

70.50. leidingen - algemeen

70.51. leidingen - kabels / ondergronds |FH|m

70.52. leidingen - kabels / vrije buitenlucht |FH|m

70.53. leidingen - kabelbuizen / inbouw |PM|

70.54. leidingen - kabelbuizen / opbouw |PM|

70.55. leidingen - plint- & wandkanalen |PM|

70.56. leidingen - kabelgoten & -ladders |PM|

70.57. leidingen - wachtbuizen |PM|


70.50. leidingen - algemeen

Omschrijving

Het betreft alle leveringen en werken voor de realisatie van het elektrische leidingnet. In overeenstemming met de algemene en/of specifieke bepalingen van het bijzonder bestek, dienen de onder deze post begrepen eenheidsprijzen, hetzij volgens uitsplitsing in de samenvattende opmeting, hetzij in hun globaliteit, steeds te omvatten :

  • het maken van de nodige sleuven en doorgangen in wanden, vloeren en plafonds;
  • de levering en montage van de mantelbuizen en/of kabelgeleiders;
  • het trekken en verbinden van de draadgeleiders;
  • het afdichten van doorboringen en sleuven in muren, doorgangen in vloeren en plafonds;
  • het waar nodig voorzien van brandwerende afdichtingen in functie van de vereiste brandweerstand (volgens het KB van 19/12/1997 en wijzigingen);
  • het verzamelen van alle puin en afval en zijn dagelijkse afvoer.
Meting

Met uitzondering van eventuele bijzondere toepassingen (zoals ondergrondse kabels, kabels in vrije buitenlucht, ...) en in overeenstemming met de aanduidingen in het bijzonder bestek en/of de samenvattende meetstaat, zijn alle elektrische leidingen standaard inbegrepen in de eenheidsprijzen van de schakelaars, de stopcontacten en aansluitdozen voor vaste toestellen, ...

  • aard van de overeenkomst : Pro Memorie (PM)
Materialen
REFERENTIENORMEN
A.R.E.I. : Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties
NBN C 15-364-523 - Elektrische laagspanningsinstallaties - Elektrische installaties van gebouwen - Keuze en opstelling van het elektrisch materieel - Leidingen (1987)
NBN C 32 - reeks123/124 /131/132+addenda - Geïsoleerde draden en leidingen voor installaties en NBN C 33
Reeks NBN C 61- Materieel voor huishoudelijke installaties en dergelijke 
NBN EN 50086-1 - Systemen van buizen voor elektrische installaties - Deel 1 : Algemene eisen (1994) 
NBN EN 50086-2-1 - Systemen van buizen voor elektrische installaties - Deel 2-1 : Bijzondere eisen voor systemen met harde buizen (1995)
NBN EN 50086-2-2 - Systemen van buizen voor elektrische installaties - Deel 2-2 : Bijzondere eisen voor systemen met buigzame buizen (1995) 
NBN EN 50086-2-3 - Systemen van buizen voor elektrische installaties - Deel 2-3 : Bijzondere eisen voor systemen met beschermslangen (1995) 
NBN EN 50086-2-4 - Systemen van buizen voor elektrische installaties - Deel 2-4 : Systemen van buizen voor aanleg in de grond (1994) 
NBN C 30-004 - Blanke draden - Geleiders en kabels - Algemeenheden - Brandbestendigheid van elektrische kabels en leidingen - Classificatie en beproevingsmethoden voor de classificatie (2003) 
NBN C 30-004 - Blanke draden, geleiders en kabels - Algemeenheden - Brandbestendigheid van elektrische kabels en leidingen - Classificatie en beproevingsmethoden voor de classificatie (2003) 
NBN C 18-300 - Leidraad voor de bescherming tegen bliksemslag van elektronische en elektrische installaties voor lage en zeer lage spanning (1989) 
NBN C 68-685-2-0 - Materieel voor het aanbrengen van blanke draden, geleiders en kabels - Leidingen en toebehoren - Verbindingsinrichtingen (Las- en aftakkingsinrichtingen) voor huishoudelijke en dergelijke vaste elektrische installaties - Deel 2 : Bijzondere voorschriften voor aftakdozen, verbindingsdozen, trek- en lasdozen (1990) 
NBN C 71-100 - Elektrische verlichtingstoestellen en toebehoren - Veiligheidsverlichting - Installatieregels en instructies voor de controle en het onderhoud (1988) 
NBN C 73-200 - Algemene voorschriften voor elektrische kook- en verwarmingstoestellen voor huishoudelijk en analoog gebruik (CEE 11 Deel I - 1964) (1977) 
BUIZEN & BEVESTIGINGSMIDDELEN

De kabelbuizen moeten vervaardigd zijn uit een onbrandbaar, zelfdovend materiaal, zij dragen het CEBEC-keurmerk. De diameter van de buizen wordt gekozen, in functie van het aantal en de maximumdiameter van de draden die erin moeten getrokken worden, overeenkomstig de aanduidingen op het ééndraadsschema. De inwendige afmetingen van de kabelbuizen en hun aansluitbenodigdheden moeten daarbij zodanig gekozen zijn, dat het mogelijk blijft de geleiders en of kabels gemakkelijk te trekken en/of te verwijderen na plaatsing van de kabelbuizen en hun onderdelen (A.R.E.I. art. 207-03). De kabelbuizen zullen aan hun uiteinden de isolatie van de geleiders niet kunnen beschadigen (A.R.E.I. art.207-4c). Stalen van de aan te wenden bevestigingsmiddelen (klemmen, kabelgoten, zadels, beugels, pluggen en schroeven) worden voorafgaandelijk ter goedkeuring voorgelegd aan het Bestuur. 

GELEIDERS - DRADEN

De geleiders en de toegelaten stroomsterktes stemmen overeen met de voorschriften van het A.R.E.I.. Het aantal geleiders en de geleiderdoorsnede van een stroombaan wordt oordeelkundig gekozen in functie van haar bestemming.

  • Ze dienen in overeenstemming te zijn met de respectievelijke belasting van de stroombaan :
    • Stroombanen die uitsluitend verlichtingstoestellen voeden moeten minstens een geleiderdoorsnede van 1,5 mm2 hebben.
    • Stroombanen die contactdozen voeden moeten minstens een geleiderdoorsnede van 2,5 mm2 hebben.
    • In geval van een driefasige aansluiting moeten de éénfasige stroombanen (zowel die voor de verlichting als die voor de voeding van de contactdozen) zo gelijkmatig mogelijk verdeeld worden over de drie fazen.
    • De doorsnede van de geleiders van een driefasige stroombaan bestemd voor de voeding van een elektrisch fornuis, afzonderlijke ovens en verwarmingsplaten, een wasmachine of elektroboiler moet daarentegen minimaal 4 mm2 bedragen. Indien de stroombaan slechts 2 actieve geleiders omvat, is de minimum doorsnede 6 mm2.
    • Kleinere doorsneden zijn slechts toegelaten voor voedingsstroombanen die deel uitmaken van bediening-, controle-, signalisatie- of meetstroombanen (0,5 mm2).
  • De draden, die in de buizen getrokken worden, zijn van het type : VOB voor plaatsing in thermoplastische buizen (type Tth) / …;
  • Elke rol zal vergezeld zijn van een etiket van de fabrikant, waarop de isolering is aangeduid. De geleiders zullen alle uit één stuk zijn, zonder binddraad, noch las. De draden die worden aangesloten op een fase, dienen een isolatie te hebben, conform de genormaliseerde kleurcodes. Beschermingsgeleiders zijn geel/groen.
GELEIDERS - KABELS

Behoudens concrete aanwijzingen in het bijzonder bestek worden het type kabel en de voorziene diameters van de geleiders gekozen door de installateur overeenkomstig hun bestemming binnen het installatieschema en opstellingswijze conform het A.R.E.I.. Zij zijn naargelang hun toepassing van het type : VOB / XFVB / EVAVB / XVB / … De installateur draagt in deze de volledige verantwoordelijkheid.

Nota aan de ontwerper
Overeenkomstig het A.R.E.I. art 214 mogen leidingen die tenminste gelijkwaardig zijn met het type geïsoleerd met PVC, al dan niet met metalen bescherming zoals de XFVB of de XVB, verzonken uitgevoerd worden in wanden, vloeren en plafonds, voor zover ze bedekt worden met een laag beton of cement van minimaal 3 cm en voorzover het traject conform de reglementeringen wordt aangelegd. Met het oog op eventuele latere vervanging van de leidingen zullen deze bij voorkeur steeds in buizen geplaatst worden.

Uitvoering
ALGEMEEN

Het plaatsen en bevestigen van de kabelbuizen gebeurt overeenkomstig A.R.E.I. art. 201-207. Behoudens andersluidende bepalingen gelden onderstaande voorschriften :

  • Alle leidingen worden in principe onzichtbaar (inbouw) aangelegd. Behoudens specifieke voorschriften in het bijzonder bestek mogen leidingen evenwel zichtbaar (opbouw) uitgevoerd worden in de lokalen die niet bepleisterd worden, zoals kelders, zolders, garages, e.d..
  • Alle inbouwwerken en het doorboren van gewelven, muren, plafonds, het uithollen van de groeven voor het blindleggen van de buizen, de inkepingen in het timmerwerk, zullen machinaal volgens de regels van de kunst en volgens de aanwijzingen van de architect uitgevoerd worden. Waar sanitaire, verwarmings- of ventilatieleidingen en elektrische leidingen elkaar zouden kruisen, is een optimale coördinatie vereist.
  • Men zal ervoor zorgen de leidingen verwijderd te houden van schouwen en verwarmingsinstallaties.
  • Voorzorgen worden genomen om te vermijden dat de buizen geplaatst worden in een omgeving met chemisch corrosieve atmosfeer.
  • Het is verboden :
    • verbindingen, aansluitingen of draadlussen tussen geleiders te verwezenlijken in de kabelbuizen.
    • buizen uit thermoplastisch materiaal aan te wenden op plaatsen waar de temperatuur normaal de 60°C kan overschrijden.
    • in kabelbuizen leidraden, koperbanddraad, soepele Csub-snoeren of gelijkaardige te trekken.
    • in niet geïsoleerde kabelbuizen, leidingen zonder versterkte isolatie, zoals het type VOB te plaatsen.
  • Thermoplastische vlamverspreidende buizen mogen slechts worden gebruikt wanneer ze ingegoten zijn in beton.
  • De kabelbuizen moeten voldoende vastgehecht worden en hun eventuele verbindingsmoffen mogen niet kunnen verschuiven.
  • Voor de ter plaatse gemaakte bochten in de kabelbuizen mag de kromtestraal niet kleiner zijn dan :
    • 10 x de uitwendige diameter, bij metalen kabelbuizen.
    • 8 x de uitwendige diameter, bij soepele thermoplastische kabelbuizen.
    • 5 x de uitwendige diameter, bij stijve thermoplastische kabelbuizen.
  • Het moet steeds mogelijk blijven de geleiders in te trekken of er terug uit te verwijderen;
  • In de aftak-, trek- & verbindingsdozen moeten de geleiders toegankelijk blijven; knie- en T-vormige stukken zijn verboden. De aansluitingen van toestellen in trek- en doorvoerkasten mogen slechts uitgevoerd worden op een bijpassend klemmenblok.
  • Alle puin en gruis afkomstig van doorboringen en inslijpingen dient opgekuist en van de werf afgevoerd te worden.
  • Alle gebeurlijke schade die door de installateur van de elektrische installatie veroorzaakt wordt, zal door zijn zorgen en op zijn kosten worden hersteld.
ONDERGRONDSE KABELS

De plaatsing van ondergrondse laagspanningsleidingen gebeurt overeenkomstig het A.R.E.I. art. 187

  • De kabels hebben minimum 60 cm grondbedekking en worden mechanisch beschermd door een bedekking met kabelafdekpannen in PVC-uitvoering of gebakken aarde, of gelijkwaardig systeem. De ondergrondse leidingen worden uitgevoerd in EVAVB onder kabelstenen, ofwel in XFVB in een HDPE doorvoerbuis.
  • Behalve indien het technisch onmogelijk is moet de kabel minimum 60 cm diep, onder het grondvlak (maaiveld en/of bovenvlak van de buitenverharding), ingegraven worden; zoniet moet de bescherming gevormd worden door een doorlopend omhulsel in duurzaam, weerstand biedend materiaal zonder openingen of voegen.
  • De gewapende kabels worden in volle grond geplaatst, afgeschermd d.m.v. een afschermpan in kunststof en aangeduid d.m.v. een waarschuwingslint, met een minimale breedte van 50 mm, op ongeveer 400 mm boven de kabel, waarop de aard van de ingegraven leiding vermeld staat, en dit over gans de lengte van de kabel. De exacte ligging van de grondkabels wordt opgemeten bij de plaatsing en aangeduid op de as-builtplannen. Minimaal om de 30 m en bij elke richtingsverandering wordt een merksteen aangebracht.
  • In zoverre de graafwerken zich niet situeren onder later te verharden gedeelten zal de wederaanvulling gebeuren tot minstens 20 cm boven de buis met zuiver aangevoerde scherpe zand. De verdere aanvulling mag evenwel gebeuren met grond afkomstig uit de uitgraving; de aanvulling wordt laagsgewijs aangebracht en met mechanische middelen aangedamd.
  • Als het tracé van de uitgraving verloopt onder een later te verharden oppervlak zal de wederaanvulling integraal uitgevoerd worden met gestabiliseerde zand en aangedamd zodat latere verzakkingen uitgesloten zijn.
  • Komen in eenzelfde sleuf kabels voor van verschillende aard of toepassing dan wordt een voldoende afstand aangehouden om interferentie te vermijden.
  • Ter hoogte van eventuele kruisingen met een wegdek worden de kabels in wachtbuizen van het type kroonvormige opgerolde "hard-polyethyleenbuis", diameter 110-klasse PN 6- volgens NBN T 42-104 aangebracht.
INBOUW IN METSELWERK
  • De leidingen ingewerkt in het metselwerk worden steeds aangelegd volgens horizontale en verticale tracés, teneinde later de juiste ligging van de buizen makkelijk te kunnen bepalen. Men zal nooit schuins over een muur werken. Om akoestische lekken te voorkomen worden leidingen en stopcontacten in woningscheidende wanden, nooit in spiegelbeeld tegenover elkaar geplaatst.
  • In de muren met zichtbaar blijvend metselwerk worden de inbouwleidingen aangebracht vanuit het vlak van de muur dat niet zichtbaar blijft. Voor muren waar dit niet mogelijk is worden waar nodig vooraf geïntegreerde soepele wachtbuizen voorzien door de ruwbouwaannemer.
  • Voor de in metselwerk ingewerkte buizen, moet het machinaal inslijpen met zorg uitgevoerd worden. Trillingen in de constructie bij het uitvoeren van kapwerken moeten tot een minimum beperkt worden. De nominale diepte van de sleuven bedraagt ongeveer 2 cm. De diepte van horizontale sleuven moet evenwel tot een minimum beperkt blijven, teneinde de stabiliteit van de muren zo min mogelijk aan te tasten.
  • De buizen worden in de bodem van de sleuven zorgvuldig bevestigd met corrosiebestendige haken of nagels. Deze bevestiging wordt derwijze uitgevoerd dat de buizen een volkomen rechte lijn vormen en zich niet meer kunnen verplaatsen, een bevestiging per lopende meter en op elk uiteinde van de bochten is daartoe aangewezen.
  • Na de plaatsing worden de sleuven over hun ganse lengte opgevuld met een mortel die past bij het ondergrondmateriaal. De mortel moet volledig de op de bodem van de sleuf geplaatste kabelbuis of -buizen omhullen, er mag geen contact bestaan tussen de buizen en het pleisterwerk.
  • De sleuven in het metselwerk worden respectievelijk aangevuld met :
    • cementmortel (300 kg traag bindend cement per m3 scherp zand) voor stalen kabelbuizen.
    • bastaardmortel (pleistermortel met hydraulische kalk en cement) voor kabelbuizen van plastisch materiaal.
  • Het werk wordt uitgevoerd rekening houdend met het feit dat het oppervlak naderhand nog dient afgewerkt (bepleistering) te worden. Deze bedekking moet m.a.w. ruw gehouden worden teneinde de bepleistering te vergemakkelijken. In reeds bepleisterde muren worden de sleuven vervolgens afgewerkt met een geschikte bepleistering.
INBOUW IN BETONVLOEREN
  • Voor betonnen vloeren worden de buizen op aanduiding van de architect in de bekisting aangebracht en/of rechtstreeks op de beton in opbouw gelegd, op voldoende plaatsen bevestigd en met mortel ingeplakt, vóór het storten van de betonmassa.
  • De buizen kunnen ook worden ingewerkt in een dekvloer, voorzover deze een dikte heeft van minimaal 3 cm. Buizen die op vloeren zonder dekvloer liggen (bv. op zolders) dienen over hun ganse lengte en op een breedte van 5 cm aan weerszijden beschermd met een laag cementmortel.
  • Ter hoogte van ieder plafondlichtpunt zal een stevige bevestigingshaak mee in de vloerplaat gegoten of in het plafond ingewerkt worden. Deze beugel steekt 1 cm uit het afgewerkte oppervlak van het onderliggende plafond en kan een verlichtingsarmatuur dragen van minstens 25 kg. De lichtpunten staan aangegeven op het elektriciteitsschema en/of worden geplaatst op aanwijzing van de architect.

Let wel : zonder voorafgaandelijke toelating van de architect mogen er in geen geval gaten en sleuven (zelfs geen oppervlakkige) worden gemaakt in betonbalken of voorgespannen liggers.

ZWEVENDE DEKVLOEREN

Aanbevolen uitvoeringsmethode voor zwevende dekvloeren (volgens voorschriften bijzonder bestek) :

  • Vooraleer de elektrische leidingen aan te brengen, zullen de nodige sleuven in muren worden gemaakt, waarna de draagvloer wordt gezuiverd van alle vuil en stof. 
  • De voorziene vloerisolatie, bestaande uit vlakke platen of een vlak geschuurd gespoten materiaal, wordt aangebracht volgens bestek, waarna over de volledige oppervlakte een netrooster op afstandhouders wordt geplaatst, waarop de technische leidingen (dus bovenop de isolatie) worden bevestigd rekening houdend met voldoende uitzettingsmogelijkheden. 
  • Pas na het aanbrengen van de dekvloer en doeltreffende bescherming ervan met bouwplaten, een stevige folie en/of banen uit stevig karton, mogen de pleisterwerken worden aangevat.
  • De bepleistering mag in geen geval de vochtwerende lagen overdekken.
INBOUW IN HOLLE CONSTRUCTIES
  • De ingewerkte buizen zijn verplicht van het niet-vlamverspreidende type. Wanneer leidingen geplaatst worden tussen een plafond en een vloer, in de holten en andere lege ruimten, zijn ze - indien ze niet geplaatst worden in buizen - tenminste gelijkwaardig aan het type met PVC- isolatie al dan niet voorzien van een metalen bescherming, zoals VFVB of VVB.
  • Als er leidingen geplaatst worden in buizen die niet de vereiste mechanische weerstand bezitten, dienen deze beschermd te worden op alle plaatsen waar risico´s op beschadiging bestaan, zoals bijvoorbeeld bij plaatsing op vloerbalken.
  • Zonder voorafgaandelijke toelating van de architect mogen geen sleuven in kepers van 4" of minder en geen inkepingen gemaakt worden in constructiehout van vloer- of dakgebinten, op meer dan 25 cm van de muren die de balken ondersteunen. Geen inkepingen dieper dan 2 cm mogen gemaakt worden in houten vloergebinten.
OPBOUW VAN LEIDINGEN
  • De opbouwleidingen worden waterdicht uitgevoerd.
  • Waar geen mechanische beschadigingen (ook vanwege ongedierte) te verwachten is kunnen opbouw PVC-buizen in WD-uitvoering toegestaan worden. In alle andere gevallen zal de uitvoering in XFVB zijn.
  • Wanneer verschillende kabelbuizen eenzelfde weg volgen, moeten ze onderling volstrekt evenwijdig zijn in de rechtlijnige gedeelten en volgens volledig concentrische cirkelbogen in de bochten geplooid worden. In de bochten mag ook aangenomen worden dat alle kabelbuizen van hetzelfde stel, gebogen worden volgens cirkelbogen met eenzelfde straal waarvan de middelpunten gelegen zijn op de middenlijn van de hoek gevormd door de twee rechtlijnige gedeelten. De keuze tussen beide werkwijzen behoort in elk geval door de architect goedgekeurd te worden. De kabelbuizen van eenzelfde stel worden met gelijke tolerantie van elkaar geplaatst.
  • De afstanden tussen de bevestigingspunten worden zodanig gekozen dat de kabelbuizen een goed rechtlijnig tracé volgen. In de rechte gedeelten is er minstens één bevestiging om de 45 cm verticaal en 30 cm horizontaal voor kabelbuizen van plastisch materiaal en om de 80 cm voor stalen kabelbuizen, één bevestiging aan elk uiteinde van de bochten, alsook één bevestiging langs beide zijden van verbindingsdozen. De bevestigingen worden met gelijke tussenafstanden geplaatst. Ter plaatse van koppelstukken, schakelaars, stopcontacten,… wordt een bevestiging voorzien op maximaal 10 cm van het element.
  • De kabelbuizen in plastisch materiaal moeten vrij kunnen uitzetten; daartoe worden de bevestigingen niet op de kabelbuizen geprangd en worden de doorvoeren door muren en plafonds omgeven door een kabelbuis met grotere diameter, vastgehecht in metselwerk. Alle vrije uiteinden van kabelbuizen uit plastisch materiaal of staal worden zorgvuldig afgezaagd en ontbraamd.
  • Ter hoogte van uitzettingsvoegen moeten de kabelbuizen op deze plaats van een schuifstelsel worden voorzien.
  • De kabelbuizen worden bevestigd met tweevleugelige zadels in de droge lokalen en op loodgieterbeugels met verzwaarde voet met verbindingsschroeven uit messing in de vochtige lokalen. De zadels worden met schroeven met ronde kop in pluggen van minstens 30 mm lengte vastgezet. De doken worden met schroeven met afgeschuinde kop in pluggen van minstens 40 mm lengte vastgezet.
  • Op bepleisterd metselwerk moeten de pluggen doordringen tot in het metselwerk, hiertoe worden voldoende lange schroeven gebruikt. De zadels mogen ook rechtstreeks in de voegen van het metselwerk bevestigd worden. Ingeval de staat van het metselwerk een dusdanige bevestiging niet zou toelaten, mag de aannemer een andere bevestigingswijze voorstellen aan de architect.
  • Op houten wanden worden de zadels rechtstreeks in de wanden geschroefd. Het gebruik van vasthechtingspistolen voor rechtstreekse bevestiging van stalen pinnen is toegelaten op voorwaarde dat ze onberispelijk vastgehecht worden en mits akkoord van de architect.
  • Op metalen gebinten door gebruik te maken van gegalvaniseerde platijzers van minstens 15 x 1,5 mm ofwel gegalvaniseerde rails welke rond de vleugels van de profielijzers worden geplooid of geklemd. Het boren van gaten en het aanbrengen van lassen op metalen gebinten is verboden, tenzij na voorafgaandelijk akkoord van de architect.
BRANDWERENDE AFDICHTINGEN

Conform de basisnormen voor brand (KB 19/12/1997 en aanvullingen), en de eisen van de plaatselijke brandweer, dienen waar nodig brandwerende afdichtingen rond leidingen, kokers en kabelbanen te worden voorzien. Zij zijn daarbij in overeenstemming met de brandcompartimenteringen en in functie van de respectievelijke vereiste brandweerstand. De brandweerstand van de aangewende materialen ter hoogte van vloerdoorgangen hebben dezelfde Rf-waarden als de opgelegde waarde voor de bouwkundige constructie, deze ter hoogte van muurdoorgangen, minstens dezelfde als deze opgelegd voor de deuren in de respectievelijke wanden. Alle aangewende materialen worden beproefd volgens de voorschriften van NBN S 21-301 - Weerstand tegen brand van bouwelementen. Behoudens concrete voorschriften in het bijzonder bestek worden de aan te wenden systemen, op voorstel van de aannemer, ter goedkeuring voorgelegd aan het Bestuur. 

WATERDICHTE AFDICHTINGEN

Onder geen beding mag vocht infiltreren in de kabelbuizen of trek- & verbindingsdozen. Aangepaste maatregelen moeten genomen worden om te vermijden dat water zich kan ophouden in kabelbuizen en toestellen wanneer ze verbonden zijn. Waar risico zou bestaan op vochtinfiltratie worden dienaangaande aangepaste afdichtingspluggen, doorvoerschijven, e.d. aangewend. Behoudens concrete voorschriften in het bijzonder bestek worden de aan te wenden systemen, op voorstel van de aannemer, ter goedkeuring voorgelegd aan het Bestuur. 

TREKKEN VAN DRADEN IN KABELBUIZEN
  • Het kabelbuizenstelsel van elke leiding wordt over zijn volledige lengte bevestigd, vooraleer met het trekken van draden en kabels aan te vangen. Het trekken van draden en kabels mag niet worden aangevangen, zonder voorafgaandelijke toelating van de architect.
  • Het trekken geschiedt met de meeste zorg, ten einde elke beschadiging aan de isolerende omhulling te vermijden. Wanneer de lengte van de leidingen het vereist, geschiedt het trekken van de draden door middel van een speciale trekveer.
  • De draden hebben een voldoende lengte om een reserve van min. 10 cm per draad te behouden, in elke verbindingsdoos, schakelaar of contactdoos, in de verlichtingstoestellen en in de borden. Het uiteinde van de draden dat gediend heeft voor het bevestigen van de trekveer, is als afval te beschouwen. Het wordt afgesneden en mag niet meetellen in voornoemde reserve van 10 cm.
  • Aan ieder uiteinde van een lichtpunt waar geen lichtarmatuur voorzien is plaatst de aannemer een reglementair aansluitblokje, waarvan bij de voorlopige oplevering minimum één lichtpunt per ruimte voorzien wordt van een voorlopige lamphouder met een lamp van 40 W. De vrije lengte van de uitstekende stroomdraden bedraagt overal minstens 30 cm.
Keuring

De leidingen worden geplaatst volgens het leidingschema en worden als dusdanig gecontroleerd.

70.51. leidingen - kabels / ondergronds |FH|m

Omschrijving

Het betreft de levering en plaatsing van ondergrondse elektriciteitsleidingen en/of wachtbuizen (bv. voor buitenverlichting, e.a. …), met inbegrip van alle graafwerken, afdekpannen, waarschuwingslinten, wederaanvullingen en herstelling in de oorspronkelijke toestand van het maaiveld, wegdek, enz.

Meting
  • meeteenheid : lm volgens aard van de kabel en/of wachtbuis
  • aard van de overeenkomst : Forfaitaire Hoeveelheid (FH)
Materiaal

In de grond en/of in ontoegankelijke ondergrondse kokers mogen enkel gewapende kabels conform NBN C 33-121 geplaatst worden. 

Uitvoering

De plaatsing gebeurt overeenkomstig het A.R.E.I. art. 187 en 70.50 leidingen - algemeen. Volgens artikel 187 van het A.R.E.I. moet een hoogspanningskabel, van eerste categorie, op een diepte van minstens 0,6 m worden ingegraven. Daarnaast moet ten allen tijde de algemene zorgvuldigheids- en voorzichtigheidsverplichting in acht worden genomen. Zo moet hij bijvoorbeeld controleren of de kabel van plaats kan verschuiven door erosiebewegingen van de bodem. De verplichtingen voor de aannemer worden verwoord in het A.R.E.I. (artikel 192.02) en het A.R.A.B. (artikel 260 bis). Het gaat hierbij over de voorzorgsmaatregelen die moeten getroffen worden bij werkzaamheden in de omgeving van een ondergrondse elektrische kabel. Bij iedere schade aan een ondergrondse kabel tijdens de uitvoering van de werken zal de aannemer aansprakelijk worden gesteld.

Toepassing

70.52. leidingen - kabels / vrije buitenlucht |FH|m

Omschrijving

Het betreft de levering en plaatsing van elektriciteitsleidingen blootgesteld aan weersomstandigheden (bv. voor buitenverlichting, e.a. …).

Meting
  • meeteenheid : lm volgens aard van de kabel en/of wachtbuis
  • aard van de overeenkomst : Forfaitaire Hoeveelheid (FH)
Materiaal

De kabels moeten geschikt zijn om zonder beschadiging te kunnen weerstaan aan de uitwendige invloeden waar ze blootgesteld worden.

Aanvullende specificaties (te schrappen indien niet van toepassing)
  • De kabels worden gemonteerd in buisleidingen, vervaardigd uit …
Uitvoering

De plaatsing gebeurt overeenkomstig het A.R.E.I. art. 209 en de bepalingen van 70.50 leidingen - algemeen

Toepassing

70.53. leidingen - kabelbuizen / inbouw |PM|

Meting
  • aard van de overeenkomst : Pro Memorie. Inbegrepen in de prijs van de schakelaars, lichtpunten, stopcontacten en aansluitdozen.
Materiaal

De buisleidingen bestaan uit stijve gladde of soepele geringde PVC-buizen volgens NBN EN 50086-2.

Uitvoering

De plaatsing gebeurt overeenkomstig het A.R.E.I. en de bepalingen van 70.50 leidingen - algemeen.

Aanvullende uitvoeringsvoorschriften
  • Inbouw in metselwerk :
  • Inbouw in betonvloeren :
  • Inbouw in holle constructieruimten :

70.54. leidingen - kabelbuizen / opbouw |PM|

Meting
  • aard van de overeenkomst : Pro Memorie (PM) Inbegrepen in de prijs van de schakelaars, lichtpunten, stopcontacten en aansluitdozen.
Materiaal
Specificaties
  • Kabelbuizen :
  • Bevestigingsmiddelen : zadels in hoogwaardig kunststof / metalen beugels
Uitvoering

De plaatsing gebeurt overeenkomstig het A.R.E.I. en de bepalingen van 70.50 leidingen - algemeen.

Aanvullende uitvoeringsvoorschriften
  • Plaatsing op houten constructies :
  • Plaatsing op metselwerk :
  • Plaatsing op plafonds :
Toepassing

70.55. leidingen - plint- & wandkanalen |PM|

Meting
  • aard van de overeenkomst : Pro Memorie (PM) Inbegrepen in de prijs van de schakelaars, lichtpunten, stopcontacten en aansluitdozen.
Materiaal

Het betreft een modulair kabelbaansysteem uit isolerend zelfdovend kunststof, voorzien van aangepaste bocht- en koppelstukken, aftak- en inbouwdozen, afschermdeksels, scheidingsschotten, ... bestemd voor plaatsing in opbouw (boven plinten / tegen plafondranden / op wanden …) Systeem voorafgaandelijk ter goedkeuring voor te leggen aan het Bestuur.

Specificaties
  • Type : samenstelbaar / monovolume (met geïntegreerde inbouwdozen)
  • Vorm : afgerond / rechthoekig / …
  • Doorsnede : ... x ... mm
  • Kleur : wit / ...

Nota aan de ontwerper
Het gebruik van dergelijke opbouwsystemen kan aangewezen zijn bij renovatie van woongelegenheden, waarvan de wandafwerking van bewoners dient te worden behouden en/of waar de woningen bewoond blijven gedurende de werken.

Uitvoering

De plaatsing gebeurt overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant. Zij worden geleverd en geplaatst in zo groot mogelijke lengten uit een stuk. Tenzij anders vermeld zijn alle zichtbare toebehoren van dezelfde kleur.

70.56. leidingen - kabelgoten & -ladders |PM|

Meting
  • aard van de overeenkomst : Pro Memorie (PM) Inbegrepen in de prijs van de schakelaars, lichtpunten, stopcontacten en aansluitdozen.
Materiaal

Het betreft geprefabriceerde elementen uit kunststof of gegalvaniseerd staal voorzien van perforaties en van opklikbare deksels. De afmetingen zijn afgestemd op het aantal voorziene leidingen.

Uitvoering

De kabels worden verzorgd bevestigd in de goten :

  • Bij horizontale kabelgoten worden de kabels in één laag en zonder bevestiging aaneensluitend neergelegd op de goot.
  • Bij verticaal geplaatste kabelgoten of -ladders worden de kabels minimaal om de 50 / … cm individueel bevestigd.
Toepassing

Te plaatsen boven de verdeelkasten in de bergingen / tellerlokalen / …

70.57. leidingen - wachtbuizen |PM|

Omschrijving

Overeenkomstig de aanduidingen op plan en/of in samenspraak met de installateur CV en/of de distributiemaatschappij, zullen door de installateur elektriciteit de nodige lege kabelbuizen aangebracht worden voor

  • verwarmingsinstallaties vanaf de CV-ketel tot de plaats waar de thermostaat geplaatst wordt.
  • telefoon, kabeldistributie en/of andere telecommunicatiesystemen.
  • parlofooninstallaties, tussen het deurstation en de binnenposten.
  • luidsprekers.
Meting

Overeenkomstig de specifieke aanduidingen in het bijzonder bestek en/of de samenvattende opmeting wordt de meting als volgt opgevat :

(ofwel)

  • aard van de overeenkomst : Pro Memorie (PM) Inbegrepen in de prijs van de installaties

(ofwel)

  • meeteenheid : stuk, per installatie (volgens meetstaat)
  • aard van de overeenkomst : Forfaitaire Hoeveelheid (FH)
Toepassing